De muur

We moesten elke dag in de rij voor het eten, samen met alle anderen. Mijn moeder wilde altijd vooraan staan, anders was alles op of koud tegen de tijd dat je eindelijk aan de beurt was. Ik vond het niet erg als het eten koud was, ik at toch bijna niks. Het eten was vies. Thuis maakte mijn moeder elke dag tabouleh of fattoush en een keer per maand maakte ze mahashi naar haar eigen speciale recept. Hier hadden ze alleen vreemd gekruid vlees en op het hele eiland was geen hummus te vinden, alleen tzatziki.
Mijn vader was altijd te laat voor het eten. Mijn moeder deed alsof ze het niet erg vond, maar er zou een dag komen dat ze zou ontploffen en dan zou onze hele tent onder de tzatziki zitten.
Hij bouwde een huis, mijn vader, samen met Mustafa. Meteen na aankomst had hij gezegd dat hij niet meer in een tent wilde wonen. ‘Ik ben nu een Europeaan,’ had hij gezegd, ‘en Europeanen wonen niet in tenten.’
Soms mocht ik helpen met stenen bakken. We verzamelden zand en klei en mengden dat met water. Van de klei maakten we een grote plak en die sneden we in stukken, die we in de zon lieten drogen. Het duurde superlang voor de stenen hard werden, meer dan twee dagen, en dan nog moest je voorzichtig zijn dat je ze niet uit je handen liet vallen, want dan braken ze gelijk.
Gisteren was de helft van de stenen opeens verdwenen.
‘Waar zijn onze stenen?’ vroeg ik aan mijn vader.
‘Meegenomen,’ bromde hij en stak een sigaret op. Sinds we vertrokken waren rookte hij weer.
‘Door wie dan?’
‘Weet ik veel.’
Het leek alsof het hem niks kon schelen dat de helft van zijn werk voor niks was. Hij liep weg. Dat deed hij vaker, soms zag ik hem dagenlang niet.
‘Ga maar!’ schreeuwde mijn moeder dan, maar dat hield hem niet tegen. Om haar te helpen haalde ik dan maar water of ik hing de was op aan de scheerlijnen van de tent. Ik wist ook niet wat ik anders moest doen.

De eerste muur van ons huis was af en we gaven een feest. Mijn moeder had tomaten en courgettes gekregen van de buurvrouw en daarmee mahashi gemaakt. Het smaakte niet helemaal hetzelfde als thuis, maar het was toch heel erg lekker.
Mustafa had zijn gitaar meegenomen. Aan die gitaar zaten nog maar twee snaren, maar dat maakte voor Mustafa niks uit, hij kon overal op spelen.
Iedereen danste, zelfs mijn vader. Dat zag er een beetje idioot uit, alsof hij was vergeten hoe het ook alweer moest.

Midden in de nacht werd ik wakker van van het geluid van druppels op het tentdoek. Eerst zachtjes, maar daarna steeds harder. Het was de eerste keer dat het regende sinds we hier waren.
‘Mag ik naar buiten?’ vroeg ik fluisterend.
’Sssst,’ siste mijn zusje.
‘Stil nu, allebei!’ zei mijn moeder.
’s Ochtends was het pad voor onze tent veranderd in een modderpoel. Zoveel regen had ik nog nooit gezien.
Ik liep om de tent heen om te zien of onze muur er nog stond, maar ik zag alleen mijn vader die in kleermakerszit in de modder zat, op de plek waar gisteren de muur nog had gestaan.
Ik ging naast hem zitten. Zijn broek zat helemaal onder de modder. Ik hoopte dat hij wat zou zeggen, maar hij staarde alleen maar in de verte.
‘Het geeft niet,’ zei ik, ‘morgen maken we een nieuwe muur, toch?’
‘Morgen regent het waarschijnlijk weer.’
‘Dan overmorgen.’
Hij bleef in de verte staren.
‘Of de dag daarna. Of we bakken stenen die tegen de regen kunnen.’
Hij legde een hand op mijn hoofd en zei: ‘Goed, overmorgen. Dan beginnen we opnieuw.’

 

Leave a Reply